
Het doet even op zich wachten, maar dan heb je ook wat.
Niet deze post bedoel ik, nee, een reisje naar de Dode Zee.
Want dat was hoe Lau & Lux de trip in Israël afsloten. Waarom? Omdat een fijne Israëliër, tevens goede vriend van de twee broers, ons vertelde dat zijn laatste dag had geslagen. Laatste werkdag dan. Dat was het vieren waard. Een reisje dus. We bedachten een plan, ontvoerden hem van zijn werk en zo belandden er twee Israelische broers, twee vrolijke toeristjes en één voormalig-businessman om tien uur ’s avonds in het pikdonker bij de Dode Zee. Waar zelfs de (kosjere) MacDonalds al dicht was en alle hotelkamers vol.
Bijna alle, want er was nog wel suite 1220 op de twaalfde verdieping van Le Meridien. Met Israelische onderhandelingstechnieken, Nederlandse glimlachtactieken en zeer pathetische overtuigingsmiddelen (“There is nowhere else we can go… We really cannot afford your regular rate…”) bemachtigden we deze. En men zag… een hoeksuite…. een riante badkamer…. Kingsize-bedden en een balkon met een fenomenaal uitzicht over de Dode Zee. Vreugdedansje.
Een uur later was er roomservice. Een uur later een refill van de wodka. En toen – nog even later of alweer vroeg- renden er mannen in roze bikini’s over de 12e verdieping, danste een kleine Hollandaise een minuut lang op één been met tandpasta-lippenstift en vertelde een voormalig businessman aan de hotelbarman dat hij morgen de zee open zou splijten. Jawel, het was Truth or Dare-speeltijd. Het was de meest kinderachtige zestienjarigen-humor met verve. Je l’ai aimé. (De achttien-plus versie op aanvraag.)

“You should come to Tel Aviv”, zeiden er twee fijne Israelische broers tien maanden geleden, toen Lau en Lux hen ontmoetten in New York. Met Isaac, Eli en hun abba (papa) spendeerden we de rest van onze vakantie, incluis een nog steeds zeer memorable trip naar Las Vegas. En wij zeiden natuurlijk dat we zouden komen, je weet wel, zoals dat gaat, the usual blablah. Maar het contact bleef: Facebook, Skype, telefoontjes. En tien maanden later en we zijn er. Van L.A naar T.A…. Tel Aviv baby!
De mannen pikken ons op van het vliegtuig en in een Suzuki Swift suizen we naar Eli’s appartement. Het eerste Hebreeuws dat we leren: “la-meh-loe-na”, oftewel “in je hondenhok”. Geen zorgen, een boodschap die niet voor Lau en mij is bedoeld, maar Eli blijkt eigenaar van een dolenthousiaste hond, die met zijn springmoves aardig wat weg heeft van een skippybal. Dan staan we voor de voordeur. “Never mention the word IKEA when my father’s around”, aldus Eli voordat hij hem opent: alles in zijn appartement is van A tot Z opgebouwd door zijn abba zelf – immers meubelmaker en designer van beroep. Niceness! Eli blijkt verder een fanatieke stripboekenverzamelaar, een verdienstelijk tekenaar en – kijkend naar zijn badkamer – ijdel (”There is nothing wrong with a man taking good care of himself”).
Het koosjer eten is een belevenis. Wanneer je aan de cornflakes zit, bedenk je je: ‘Ik heb toch wel de zuivellepel gebruikt?’ Wanneer je wilt afwassen, krab je je achter de oren: ‘In welke van de twee afwasbakken moest het ook al weer?’ En zo sta je dan – als Eli naar zijn werk is en je het zelf moet oplossen – met een perzik in je hand voor een grote bak bestek en heb je geen idee. Zuivel- of vleesbestek? Uhhh. Dan maar zonder.
Tijd om de stad te verkennen. To be continued.

Eergisteren: Met een half vergane oranje boa kom ik uit de toilet van Bar Italia. Ik moet even wachten, want er staan twee meisjes voor de spiegel. De ene met knalrode lipstick in de hand, de ander probeert met de handen haar lange haren in de war te krijgen, je weet wel, lekker logisch. Ze hebben het over make-up remover.
En terwijl ik denk dat ik lieftallig naar ze glimlach en eruit zie als ‘geduldig wachtend’ tot ik bij de kraan kan – want dat is het feit – zegt het lipstick-meisje tegen mij: “Ja, we komen lekker over als van die oppervlakkige Lola’s-kutjes hè, maar dat zijn we eigenlijk helemaal niet hoor!”
Ik moet even omschakelen. En antwoord: “Uhh.. hoezo zou ik jullie veroordelen dan? Wie weet ben ik er zelf ook een?” Dan vertelt ze dat er de hele avond al door iedereen wordt gedaan alsof ze straks wanneer de tweede helft start, gaat vragen waarom oranje ineens de andere kant op rent.
Het andere meisje peert hem en ik neem haar plek in achter de wastafel. Lipstick-meisje vertelt verder. Ze verzucht dat mannen haar een aai over de bol willen geven. Dat ze blijkbaar koetchie-koetchie-neigingen naar boven brengt. Dat er nog net niet wordt gevraagd of ze fristi wil.
Of ze al een oplossing heeft, vraag ik. En die heeft ze: ”Ik breng een nieuw gespreksonderwerp aan: ik vraag of zij ook niet denken dat er eenzaamheid ten grondslag ligt aan terreurproblematiek, of ik houd een hekeldicht over ons ziekelijk gecultiveerde rechtsgevoel. Of ik vraag of zij ook vinden dat Tibet door de VN erkend zou moeten worden als soevereine staat.”
Tof.

Ik ben dit weekend een wandelend cliché: Eerst bootje varend door de grachten in (1) wapperende zomerjurkje, (2) met Griekse sandalen aan de gepedicuurde voetjes en (3) Back to the Eighties zonnebril op de snufferd. En uiteraard: de benen ingesmeerd met bruiningscrème. Vervolgens op een dakterras in Oud-Zuid barbecueënd (met alleen vrouwen, dus dat ding niet aankrijgen en uiteindelijk alles in de pan mikken) om ‘s avonds in Paradiso bevestigd krijgen wat je eigenlijk al wist: dat je net als elk meisje een streepjestrui draagt, een touwtjesriem hebt en een kunstig gedraaid vlechtje in het haar hebt gezet.
Vandaag begint de dag bij CoffeeCompany met een frappuccino, om vervolgens met een boek in het Vondelpark neer te ploffen, alwaar je hardlopende oude bekenden tegenkomt, om vervolgens samen de reeds halflege Albert Heijn te plunderen (want elke parkganger maakt jacht op plastic vorkjes, reeds gesneden fruitstukjes en stokbrood met hummus) en uiteindelijk met een verbrand neusje rozig te worden van de Prosecco, terwijl bij de buren op het kleedje een jongen met gitaar aanschuift en er “Het is een nacht” op begint te rammen. Om daar als klap op de vuurpijl een blog over te schrijven.
Ik kan het aanbevelen: Follow the herd! Be unoriginal! Doe Conformistisch! Een zucht hebben naar authenticiteit, dat is zo 2009.

Lux neemt het ervan: zij ging met goede vriend G. een weekend op de bank crashen bij vriendin Mieke, de Parijzende ster die voor twee jaar in La Ville de l’Amour vertoefd.
We toefden per auto heen, meebrullend met de chansons van Patrick Bruel en Maurice Chevalier, oftewel ‘Paris, je t’aime d’amour’, smikkelend van de krentenbollen die G. de avond daarvoor had gesmeerd. En toen we beseften dat daarmee het Cliché Ultimatum was bereikt, beloofden wij elkaar plechtig het hele weekend alleen nog in clichés te spreken. En gelukkig wist G. wel raad met Lux’ liefdesverdriet:
G: “Nou je hebt het verdiend hoor, dit weekend”
L: “Wat afleiding doet een mens goed.”
G: “Ik zeg altijd maar zo: er zwemmen meer vissen in de zee.”
L: “Ik heb er in ieder geval wel van geleerd.”
G: “Luister: van elke keer dat je tegen de lamp loopt, neem je weer een lichtje mee”
L: “Juist, aan liefde is nog nooit iemand dood gegaan”
G: “Je zult zien, elke dag gaat het een stukkie beter.”
L: “ What doesn’t kill you, makes you stronger”
Etc. Etc.
Vriend G. werd getransformeerd tot ‘Henk’ en Lux werd ‘Ingrid’. Wij doopten La Ville de l’Amour tot La Ville du Chagrin en vervolgens eisten wij van onszelf dat elk uitje moest worden afgesloten met een Tokkie-opmerking. Van de Mona Lisa vonden we dat “onze kleine zusjes dat ook hadden kunnen maken”. Het Musee d’Orsay vonden we een nutteloze subsidieslurper. Het WK hebben we gemeden, want “het is toch maar een spelletje”. En trouwens: “Lekker boeien, een bal tussen twee palen schieten?” De bedelaar voor de Notre Dame was ook “makkelijk geld aan het verdienen”, de Eiffel-toren vonden we eigenlijk “heel lelijk” en als je daaronder gaat zitten, “zit je alleen maar tussen de toeristen”. Bij het restaurant met uitzicht op de Sacre-Coeur “betaalden we vooral voor het uitzicht”. Het mooie meisje bij het yuppen-restaurant “was ook alleen maar aangenomen op haar uiterlijk”. En die crêpes dan, praat me daar niet van, “dan zijn onze pannenkoeken beter”. Ach ja, Parijs, “jammer dat er Fransen wonen”, die overigens “geen woord Engels spreken”.
Met het verschil dat we het zelf ongelofelijk grappig vonden. Kortom: wij waren uitermate in onze nopjes.

Berlijn, Hotel Novotel, vrijdagochtend 09.10 uur. Ik sms goede vriend M.: “Winnende Quizvraag: wie sprak op donderdagnacht 10 juni 2010 de fameuze woorden ‘’s avonds een man, ’s ochtends een man’?”
The One Million Dollar Answer: Meneer M. himself, in een aftands barretje in Oost-Berlijn. Na zijn fameuze uitspraak knalde hij een Sambuca naar binnen. Heel even daarna ging het niet zo heel goed meer. En pakten we een taxi Zum Hotel. En voordat hij zijn hotelkamer dichttrok, riep M. nog even na: “Wie morgen verzaakt, is het hele jaar de sjaak!”
En dus, twee uur later, sta ik klaar voor het hotel om op een toeristenfiets met mandje te stappen en me door ene tourguide Björn rond te laten leiden. Wie had ook alweer bedacht dat dit leuk was? Juist. Maar waar was die? Juist.
Ik besluit in de aanval te gaan, dring zijn hotelkamer binnen, schud hem wakker en hoor van onder de lakens: “ik zit fucking niet meer op school!” (Trouwens: het kan ook “‘ik zit nog fucking vol soul” zijn geweest… Beide opties zijn plausibel. ) En hij viel weer in coma.
Ik besluit Bjorn af te poeieren en dit stukje te tikken. Volgende missie: het scoren van een Super Soaker. Ik zal ‘m krijgen.